Home
 Zoeken:

Hollands Arkadia: beeld en projectie
Frans Grijzenhout
In 1804 publiceerde de Haarlemse schrijver en uitgever Adriaan Loosjes (1761-1818) zijn boek Hollands Arkadia of Wandelingen in de Omstreeken van Haarlem. In dit boek laat de schrijver een gezelschap van tien dames en heren uit de gegoede Haarlemse burgerstand vier wandelingen maken in de omgeving van Haarlem, een streek die al omstreeks 1700 "Hollands Arcadië" werd genoemd. Loosjes' boek is een onderhoudende lofzang op het landschap en de flora en fauna in de omgeving van Haarlem, maar ook een beschrijving van talrijke lieux de mémoire (in de meest letterlijke zin van het woord), een leerboek in de regionale en nationale geschiedenis en een oproep tot nationale trots op een groot aantal prestaties van Nederlanders in heden en verleden. Het landschap van Loosjes' Hollands Arkadia is een typisch literair-historisch landschap, een moreel landschap van de ideale Haarlemmer, Hollander en Bataaf, een landschap van zinvolle tekens.

In de pastorale of herdersroman die sinds de zestiende eeuw grote opgang maakte, wordt de landstreek Arcadia op het Griekse schiereiland Peloponnesos voorgesteld als een idyllisch land van onschuld en vrede, bewoond door eenvoudige herders en herderinnen. Loosjes heeft zich echter niet zozeer gebaseerd op het "klassieke" arcadische genre. Hij borduurde voort op een specifiek Nederlandse invulling van het Arcadia-genre. In 1637 publiceerde Jacob van Heemskerck zijn Inleydinghe tot het ontwerp van een Batavische Arcadia. De schrijver wilde daarin 'onder 't soet van Minne-praetjes' aan Nederlandse kinderen 'de liefde tot de Vaderlandsche vryheyd, en lust tot der voor-ouderen vromigheydt' ingeven. Heemskerck's werk was tot ver in de achttiende eeuw zeer populair. Het werd nagevolgd in talrijke locale en regionale "arcadia's", zoals de Walchersche Arkadia door Mattheus Gargon (1715-1717) en Loosjes' Hollands Arkadia, die de bloei van het genre daarmee min of meer afsloot.

De expliciete literair-historische en moraliserende visie van Van Heemskerck, Loosjes en anderen op het Hollandse landschap zijn niet onopgemerkt gebleven in de kunstgeschiedenis. Moet de landschapschilderkunst van de zeventiende eeuw niet ook met een literaire of historische bril bekeken worden? Het onderzoek naar deze vraag richt zich tot dusverre vooral op mogelijk religieuze duiding van het landschap: als metafoor voor de pelgrimage die elk leven op aarde is, als teken van de openbaring Gods in de natuur of als verwijzing naar het eindige van het aardse leven. Daarnaast worden politiek georiënteerde verwijzingen naar de positie van de Republiek aangetroffen in bepaalde gravures met afbeeldingen van de Hollandse koe of wordt de uitdrukking van een stedelijke, gewestelijke of zelfs nationale identiteit verondersteld in bepaalde zeventiende-eeuwse stadsgezichten of landschappen. Toch valt deze benadering niet klakkeloos toe te passen op de Hollandse landschapschilderkunst uit de zeventiende eeuw in den brede. En ook voor de landschapschilderkunst uit Loosjes' tijd, die zowel een heel opvallende revival van allerlei 17de eeuwse formules als een opvallende vernieuwing vertoont, zijn er nauwelijks of geen expliciete aanwijzingen die ons in staat stellen een overtuigende verbinding te leggen naar Loosjes' opvattingen.

Het klassiek-literaire arcadische concept verloor al spoedig na Loosjes' Hollands Arkadia aan invloed. Het was David Jacob van Lennep die met zijn beroemde "Verhandeling over het belangrijke van Hollands grond en oudheden voor gevoel en verbeelding" gevolgd door zijn beroemde Duinzang in 1827 op een waarlijk romantische wijze het verband legde tussen de oorspronkelijke natuur in Holland, de roemrijke geschiedenis in dat gewest en het nationaal gevoel. Aan het eind van de negentiende eeuw heeft het Nederlandse en vooral het Hollandse landschap een werkelijke symboolwaarde voor de vaderlandse identiteit, getuige bijvoorbeeld Bernard Zweers' (1854-1924) Derde symfonie Aan mijn vaderland (1886-90), die als delen heeft: "In Neerlands wouden", "Op het land", "Aan het strand en op zee" en "Ter hoofdstad".

In de Nederlandse schilderkunst van de negentiende eeuw, die de directe aanloop heeft gevormd voor de uitbeelding van het Hollandse landschap in de fotografie en later in de film, is van die nationale betekenisgeving van het landschap niet veel terug te vinden. In de romantische school werd, in Nederland zo goed als elders in Europa, veel meer aandacht besteed aan het hoe dan aan het wat van het geschilderde landschap. Schilders als Koekkoek, Schelfhout en later de schilders van de Haagse school waren primair bezig met de vraag hoe ze de unieke kwaliteiten van het Nederlandse landschap schilderkunstig tot uitdrukking konden brengen. De diepte, de lage horizon, de wolken, de kleur, de lichtval, de schaduw: dat zijn de echte onderwerpen van de negentiende-eeuwse schilderkunst.

Natuurlijk konden de schilders daarmee experimenteren omdat voor het genre van de landschapschilderkunst in Nederland, misschien nog wel meer dan in andere landen, een continue basis in de artistieke traditie én in de commerciële afzetmogelijkheden aanwezig was. Die basis werd in de loop van de negentiende eeuw nog aanzienlijk verbreed door de belangstelling die buitenlandse bezoekers - kunstenaars en toeristen - aan de dag legden voor het Nederlandse landschap. Deze belangstelling werd niet alleen gevoed door de unieke kwaliteiten van het Nederlandse landschap en het licht dat daarover schijnt, maar ook door de traditionele en als oorspronkelijk ervaren verschijningsvormen en levensvormen van de plaatselijke bevolking, vooral in traditionele vissersplaatsen aan de Noord- en Zuiderzee. Die combinatie, van typerend landschap en "oorsponkelijke" bewoners, van kunst en (geconstrueerde) natuur, vormde een aantrekkelijk en blijvend unique selling point van de opkomende toeristenindustrie.

Het medium film was in zijn eerste jaren naar zijn aard veel meer gericht op de uitbeelding van handeling en beweging dan van de min of meer stilstaande waarden van het Nederlandse landschap. Maar toch komen we in de productie van de Haarlemse Filmfabriek "Hollandia" - de naam en de vestigingsplaats zijn in dit verband betekenisvol! - de filmpjes "Oud-Haarlem" en "Haarlem en omstreken" van H.W.Idzerda tegen (1919). Daarmee kon het Hollands Arcadië ook door de lens van de filmcamera worden vastgelegd, in de bioscoop op het witte doek worden geprojecteerd en daarmee tot een blijvend beeld worden ingeprent bij het Nederlandse volk.




ARCHIEF

Klik hier voor de complete lijst van GBG-conferenties.


Ons Eigen Arcadië

De plattelandsziel: Pastorale puurheid

Uilkema's beelden van het weidebedrijf in Friesland

De filmende motorrijder: Gerrit Aalfs

Een afsluitend woord

©2003 Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid