Home
 Zoeken:

Uilkema's beelden van het weidebedrijf in Friesland
Johan Frieswijk
Op 2 november organiseerde de vereniging Geschiedenis Beeld en Geluid in het Vakbondsmuseum in Amsterdam een conferentie over 'Ons eigen Arcadië'. 's Middags fungeerden de provincies Brabant en Friesland als proefterrein voor een verkenning van dit onderwerp. De Friese bijdrage had als centraal thema drie motorrijders die Friesland doorkruisten op zoek naar beelden: de oer-religie-professor Herman Wirth, de landbouwleraar Klaas Uilkema en de filmer Aalfs. Zoals een van de inleiders, Goffe Jensma, zei, duidt het gebruik van moderne middelen (de motor en het lichtbeeld) om het mystieke verleden vast te leggen reeds op de dubbelzinnige relatie tussen moderniteit en een conservatieve mentaliteit. In dit artikel de vraag of de landbouwonderwijzer Klaas Uilkema (1873-1944) met zijn foto's van het weidebedrijf een eigen (Fries) Arcadië wilde vastleggen.

Klaas Uilkema was een man met vele kwaliteiten, een brede belangstelling en een grote kennis. Voor hem leek aanvankelijk een intellectuele carrière te zijn weggelegd, ware het niet dat de boerenfamilie waaruit hij stamde in de landbouwcrisis in de problemen kwam. Hij volgde de Rijksnormaalschool te Leeuwarden en werd onderwijzer aan een lagere school. In 1900 werd hij benoemd aan de voormalige armenschool te Leeuwarden. Hij haalde de acte voor landbouwonderwijs en was sinds 1904 hoofd van en leraar aan de landbouwwintercursussen voor boerenzoons, die door de Friese Maatschappij van Landbouw in de hele provincie werden georganiseerd. Dat betekende dat hij in de winter vier dagen in de week na schooltijd in het donker naar een cursusplaats toe fietste en om tien uur 's avonds pas weer thuis was.

Uilkema bleek een bekwaam amateurfotograaf met oog voor detail. Hij liet een kist met 280 glasnegatieven na, gemaakt rond 1918 en betrekking hebbend op het weidebedrijf in Friesland. Deze glasnegatieven vormen de achtergrond van dit verhaal. De verzameling bevatte daarnaast nog een groot aantal foto's van molens en enkele van terp-opgravingen en nog wat andere zaken. Uilkema's brede kennis resulteerde in tal van aansprekende nevenactiviteiten. In 1913 werd hij bekroond voor het vervaardigen van lesmateriaal over het exterieur van het rund. Een dergelijke standaardbeschrijving van de tekening van het vee was van groot belang voor het fokken van goed stamboekvee. Daarnaast hield hij zich bezig met de ontwikkeling van de boerderijtypen, eerst in in Friesland en vervolgens in de rest van Nederland. Voor dit onderzoek maakte hij een groot aantal foto's. In 1916 verscheen van zijn hand Het Friese Boerenhuis. Onderzoek naar het ontstaan van het tegenwoordige boerenhuis in Friesland: het resultaat van zes jaar studie in de schaarse vrije tijd. Daarin weerlegde hij de tot dan algemeen geaccepteerde theorieën van de hooggeleerde Gallée. Zijn uitgebreide verzameling foto's, plattegronden en schetsen van boerderijen van uiteenlopende typen heeft onderdak gevonden bij de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek in Arnhem. Op dit onderzoek zou hij zich na 1918 geheel storten. De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde stelde hem in staat zich van 1920 tot 1923 geheel aan dit wetenschappelijk werk te wijden. Tot een afgeronde publicatie kwam het niet; maar enkele jaren geleden verzorgde Ellen van Olst een tweedelige publicatie dat de betekenis van Uilkema's werk op dit terrein schetst en een overzicht geeft van zijn nagelaten werk.

Doorgaans wordt 'Arcadië' gebruikt om de pastorale vreugde van het werk op het platteland te bezingen, een gebied waar de cultuur van de stad nog niet is doorgedrongen. Op de foto's van Uilkema echter geen naakte schonen die met minstrelen picknicken tussen de hooischoven, maar meer met de realiteit overeenkomende beelden van hardwerkende boeren, arbeiders en arbeidsters. Hoewel ook dat nog wel eens een vleugje Arcadië oplevert, zoals een lieflijk plaatje van een rustpauze laat zien.

Bij de foto's van Uilkema hebben we overigens te maken met Arcadië in het kwadraat. De vraag of Uilkema een Fries Arcadië heeft vastgelegd, wordt namelijk opnieuw gesteld door de publicatie van een selectie uit zijn foto's en teksten in boekvorm, zeventig jaar later als Bylden fan it greidebedriuw yn Fryslân om 1918 hinne. De lezer van nu zal die foto's met een zekere nostalgie bekijken. Zeker, wanneer hij of zij tot de oudere garde behoort, zelf afkomstig is van het platteland of stamt uit een agrarisch milieu. Dan gaat het om herkenning: zo zat ús pake vroeger ook op de maaimachine! Herkenning, romantiek en nostalgie horen immers bij de beelden van een boerenbedrijf dat al lang tot het verleden behoort. Maar ook bij het beeld dat velen van Friesland hebben.

Door het gewicht van de agrarische sector heeft de Friese economie in de negentiende eeuw het karakter gekregen van een monocultuur. Wie in de geschiedschrijving het accent legt op modernisering en industrialisering, spreekt dan van een achterblijvende, stagnerende economische ontwikkeling. Dat geldt misschien nog wel voor de nijverheid in Friesland, maar ook dat is maar ten dele correct. Dat hebben de Friese bedrijven in de twintigste eeuw wel laten zien. Zeker geldt dat voor de zuivelindustrie. Veeleer is in Friesland sprake van een verlate, maar met het landelijke patroon overeenkomende ontwikkeling.

De Friese agrarische sector was echter sinds het eind van de negentiende eeuw in al zijn onderdelen een modern bedrijf, waarin wetenschap, onderwijs, machines, fabrieken en rationalisering hun intrede hadden gedaan. Dat type bedrijf is door Uilkema in tal van foto's vastgelegd. Zoals ook zijn foto's van de installatie van machines van het gemaal Tacozijl bij Lemmer, nodig voor een goede bemaling van de provincie, illustreren.

Bekijken wij nu de foto's van Klaas Uilkema met het oog op hetgeen verdwenen is, Uilkema zelf stonden destijds heel andere doelstellingen voor ogen. Zijn motief was veeleer het streven naar een in zijn ogen noodzakelijke modernisering van het boerenbedrijf en de bijdrage die een kwalitatief goed landbouwonderwijs daaraan kon leveren. Als landbouwleraar had hij namelijk geconstateerd hoe gebrek aan vakkennis slechte resultaten gaf. In zijn eigen woorden: 'In plaats van minder, eist de hoogere techniek hier dus meer arbeidsvaardigheid'. Wie de techniek van het maaien niet beheerste, leverde dus een slecht stuk werk af en dat ging ten koste van de bedrijfsvoering. Daarom bestudeerde, tekende en beschreef hij de Mc Cormick-maaimachine tot in alle details, om daarvan de werking aan anderen te kunnen tonen.

De foto's die Uilkema van het boerenbedrijf maakte, zijn zondermeer de foto's van een landbouwleraar. Het gaat hier namelijk om lesmateriaal. In zijn lessen namen excursies waarin de praktijk bekeken werd en het gebruik van lichtbeelden een belangrijke plaats in. Het gebruiken van een koolstaafprojector om lantaarnplaatjes op een wit laken te projecteren was in die tijd zeer vooruitstrevend. De opnamen maakte en ontwikkelde Uilkema zelf. Hij vervaardigde daarnaast ook series voor zijn collega's in het landbouwonderwijs.

Voor de historicus zijn foto's een zeer belangrijke bron. Uilkema legde door het fotograferen van de landbouwmachines de komst van een nieuwe tijd in de landbouw vast. Ze illustreren een bedrijfssoort in verandering: de snelle, voortgaande mechanisering en modernisering van het boerenbedrijf. Het handwerk op de boerderij maakte in de eerste decennia van de twintigste eeuw immers plaats voor het gebruik van landbouwmachines. Maaimachines waren weliswaar al in de loop van de negentiende eeuw geïntroduceerd, maar het duurde nog een halve eeuw voor ze geschikt waren om in Friesland op grote schaal te worden ingezet. Dat had deels te maken met de kwaliteit van de machine zelf- de messen moesten eerst worden aangepast aan het Friese gras -, daarnaast was echter een betere drainage en bemaling van de grond noodzakelijk om de maaimachine überhaupt in Friesland te kunnen gebruiken.

Uilkema wilde echter ook het verdwijnende handwerk op de gevoelige plaat vastleggen. Hij noteerde: 'Ik achtte het van groot belang de verschillende werkwijzen in een serie lichtbeelden vast te leggen, mede om te voorkomen, dat de heugenis aan 't geen eens was, totaal verloren ging.' Zo fotografeerde hij het maaien, keren, schudden en zwelen. Hij liet daarbij zien, dat daarbij de vrouwen en de jongste knecht vooraan stonden. Zij deden het lichtste werk. De sterkste mannen stonden achteraan met de boer zelf tot slot. Later gebeurde ook dit machinaal. Want naast de maaimachine deden in het eerste decennium van de twintigste eeuw ook de hooihark, de hooikeerder en de hooischudder hun intree op het weidebedrijf. In 1913 kwam een gecombineerde hark-keerder-schudder in gebruik. Voor de machines liepen overigens toen nog paarden, maar ook dat was nog een kwestie van luttele jaren. In de jaren twintig verving de trekker vrij algemeen het werken met de paarden. De trekker komt echter op de opnamen van Uilkema nog niet voor.

Het was de bedoeling van Uilkema de foto's behalve als lesmateriaal tevens te gebruiken voor zijn nog te schrijven leerboek dat Het graslandbedrijf in Friesland zou komen te heten. Het boek werd door uitgever AE.E.Kluwer voor het jaar 1917 aangekondigd in de reeks 'Nederlandsche Landbouwbedrijven', maar het zou nooit verschijnen. Uilkema schreef van zijn leerboek wel enkele hoofdstukken of delen daarvan en een inleiding, maar het historisch boerderij-onderzoek had inmiddels al zijn aandacht opgeëist. Uiteindelijk werden de door hem nagelaten foto's van het weidebedrijf en zijn teksten gebruikt voor een historische beschrijving: de overgang van het handwerk naar de machine in de eerste decennia van de vorige eeuw, en de methoden die toen in zwang waren.

Wanneer we naar het Friese Arcadia zoeken, kunnen we dus moeilijk bij Uilkema terecht. Hij fotografeerde en beschreef het moderne en rationele boerenbedrijf. Overigens zijn er tal van vergelijkbare foto's van agrarisch Friesland met een duidelijk wel pastorale intentie. Op ansichtkaarten 'Groeten uit Friesland' bijvoorbeeld, of in de Friese tijdschriften van het Interbellum, zoals It Heitelân, Sljucht en Rjucht en Fen Fryske groun. Daar werd de lente in romantische termen begroet, wanneer de ûngetiid, de tijd van het hooien en maaien was gekomen. Of ze dienden om Friesland als platteland te laten zien. Daarbij gaat het echter veelal om een nostalgisch beeld van een dan reeds verdwijnend of reeds verdwenen Friesland. De tijdschriften ademen doorgaans een conservatieve geest uit, doorspekt met romantische beschrijvingen van het boerenwerk en het goede verleden. Ze illustreren het beeld van een tijd die nooit meer terug zou komen. Foto's van het boerenbedrijf uit de oorlogsjaren plaatsten de beelden in de context van een ideologie, waarin de boer en zijn land gelijk werden gesteld met bloed en bodem. Boerencultuur werd beschouwd als de ware, historisch gewortelde cultuur, volkomen tegengesteld aan de oppervlakkige en materialistische stadscultuur. Toen werd in het voetspoor van Herman Wirth een ideologisch gekleurd Fries Arcadia uitgebeeld, waarvan de beelden niet slechts letterlijk bruin waren gekleurd.
ARCHIEF

Klik hier voor de complete lijst van GBG-conferenties.


Ons Eigen Arcadië

Hollands Arkadia: beeld en projectie

De plattelandsziel: Pastorale puurheid

Bekkers te paard: pure pastoraliteit

De filmende motorrijder: Gerrit Aalfs

Een afsluitend woord

©2003 Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid