Research: Imaazje! Het gebruik van radio- en televisiebronnen bij onderzoek naar de Provobeweging (1965-1967)
De van oorsprong Amsterdamse Provobeweging, die actief was in het midden van de jaren zestig, was een voor die tijd stevig gemediatiseerd verschijnsel. Tussen de Provo's, de camera's en de microfoons was het grote liefde. Radio en televisie deden daarbij niet voor elkaar onder. De mediabelangstelling kende een aarzelend begin in de zomer van 1965, brak door rond het prinselijk huwelijk in maart 1966 en explodeerde na de Bouwvakkersrellen in juni van dat jaar, toen met name de buitenlandse pers Provo ontdekte.
Ter voorbereiding van mijn proefschrift Imaazje! De verbeelding van Provo (1965-1967) heb ik onderzocht op welke manier de protestbeweging in de genoemde periode voor het mediavoetlicht trad. Hoe presenteerden de jeugdige rebellen zichzelf op radio en televisie? En andersom: op welke wijze en waarom werden ze benaderd door journalisten en media in binnen- en buitenland? Hoewel uit het onderzochte audiovisuele materiaal zonder meer nuttige gegevens zijn voortgekomen, liep de weg ernaartoe niet altijd van een leien dakje. De moeilijkheden betroffen met name het zoeken naar en het inzetten van audiovisuele bronnen. Onderzoek naar materiaal in audiovisuele archieven, in combinatie met verslagen in kranten en weekbladen, correspondentie uit het Provo-archief (ondergebracht bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis) en diverse privé-archieven, maakte het me mogelijk een vrij compleet overzicht te krijgen van relevante radio- en televisie-uitzendingen. Bij mijn zoektocht heb ik me geconcentreerd op Nederland en België en, waar mogelijk, op Frankrijk - met wisselend succes. De archieven van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en de databank van de NOS in Hilversum, bijvoorbeeld, zijn vrij goed georganiseerd. Ook Frankrijk beschikt al enige jaren over een centraal audiovisueel archief: de INA-thèque (horend bij het Institut National de l'Audiovisuel).
In België was een systematische werkwijze moeilijker te realiseren. Een centraal archief is er niet, en zowel de VRT (de Vlaamse publieke omroep) als de RTBF (zijn Franstalige tegenhanger) zijn nauwelijks ingesteld op historisch onderzoek. De Waalse omroep kent formele procedures en beschikt over een uitstekende - zij het nog niet in een database ondergebrachte - inventaris. Zolang de bureaucratie in acht werd genomen, verliep de samenwerking prettig. De VRT, daarentegen, beschikt wel over een database, maar door het ontbreken van procedures, verliep het Vlaamse onderdeel van mijn onderzoek ronduit stroef. Tenslotte heb ik ook de hand kunnen leggen op enkele spraakmakende Duitse reportages bij de Bayrischer Rundfunk (München) de WDR (Keulen) en enkele Britse uitzendingen, bij Granada Television (Manchester).
Uit de overvloed aan materiaal die ik heb onderzocht, heb ik onder meer de volgende conclusie getrokken. De groep mensen die zich als provo's voor de camera's en microfoons presenteerde, was veel gevarieerder dan men zou kunnen denken. Opvallend is ook het gemak waarmee betrokkenen uit de kerngroep van de beweging speelden met het stereotype beeld van provo's (langharig, werkschuw tuig). Menig journalist vroeg zich duidelijk af of die keurig geklede, werkende jongere die hij voor zich had, er wel daadwerkelijk een was.
Niek Pas
|