Home
 Zoeken:

Festival: Le Giornate del Cinema Muto XXII
Sacile, 11 - 18 oktober 2003


Het festival van de zwijgende film in Sacile bestond dit jaar uit drie hoofdprogramma's die weinig met elkaar gemeen hadden: de 'natuurfilms' van Cooper & Schoedsack die in 1933 wereldberoemd werden met King Kong; D.W. Griffiths productie uit het jaar 1913, en de films waarin de Russische vedette Ivan Mosjoukine een substantiële rol speelt. Tussendoor werden nog allerlei kleinere programma's gepresenteerd, zoals Thai Cinema, een nieuwe aflevering van de verbluffende Engelse kermisfilms van Mitchell & Kenyon uit de periode 1901-1907, een compilatie van luchtopnamen en stuntvliegwerk van rond 1910 en de surpriseblokken "Saving the Silents" en "Fuori Quadro".

Door de parallelle filmprogrammering, die filmloze pauzes toeliet, was het festival dit jaar minder uitputtend dan anders. De lunchbijeenkomsten van het Collegium Sacilense (waar jonge onderzoekers zich samen met oudere experts het hoofd plegen te breken over verschillende onopgeloste problemen inzake de vertoonde films) zorgden echter voor verhitte discussies, waardoor de deelnemers uiteindelijk toch nog hun lunch misliepen.

Er werd ongetwijfeld het meest gepraat over de acteur/regisseur Mosjoukine, die halverwege zijn carrière net als zo velen gedwongen was de Sovjet-Unie te verlaten en die zich met een aantal lotgenoten in Parijs vestigde. Hoewel tijdens voorgaande festivals wel eens films met Mosjoukine te zien geweest waren, gaf dit retrospectief een bijzonder goed beeld van zijn veelzijdigheid. Zijn personages varieerden van de slappe echtgenoot die de bewondering en aanhankelijkheid van een winkelmeisje verkiest boven de gelijkwaardige liefde van zijn onafhankelijke vrouw in de uiterst moderne film De dokteres van Pjotr Chardynin uit 1914 (een kopie van het Filmmuseum waarin helaas de derde akte, die het verhaal een heel andere wending geeft, ontbreekt) via de megalomane Father Sergius uit de gelijknamige film van Protozanov uit 1918 tot zijn eigen surrealistische detective in Le Brasier Ardent (1923) en Feu de Mathias Pascal (1925) van Marcel L'Herbier. Wat opvalt is de consistentie in zijn werk: de personages uit de hogere klassen, de decadente milieus en melancholieke thema's worden door zijn 'droge' stijl in welke film ook interessant. Mosjoukines noodlottige Russische personages ontroeren evenzeer als zijn charmante Franse; voor beide doet de onpeilbare blik in zijn veelbezongen lichte ogen wonderen. Geen wonder dat er in Sacile ook nu nog hevig gezucht werd.

De catalogus geeft weliswaar uitgebreide informatie over de films, maar een extra artikel over de wit-Russische emigranten, hun vertrek uit de studio's van Moskou en Leningrad naar de Krim en daarna naar het buitenland, was toch welkom geweest. Natalia Noussinova publiceerde net een boek over deze emigranten in het Russisch, en een Engelse vertaling van een gedeelte hieruit had niet misstaan in Griffithiana.

De 72ste aflevering van Griffithiana is nochtans ook niet te versmaden. Ze is gevuld met nooit eerder herdrukte Biograph Bulletins en daarmee een verplicht nummer voor allen die zich bezig houden met vroege Amerikaanse filmcultuur in het algemeen en met D.W.Griffith in het bijzonder. 1913, het jaar dat tijdens het festival centraal stond, was trouwens net dat waarin Griffith zich begon los te maken van de Biograph-studio, omdat hij na circa 450 one-reelers meer toekomst zag in lange, monumentale speelfilms, waarvan de eerste (Judith of Bethulia) in verschillende versies werd vertoond. De Griffith-watchers namen dan ook met weemoed afscheid van hun dieet van circa acht Griffiths per dag (het resultaat van ongeveer anderhalve maand werk) dat zij al sinds 1999 volgen. Het komende festival zal ongetwijfeld schitteren door zijn beroemde lange films - al zijn die natuurlijk veel bekender dan het merendeel van de korte Biographs. Hoewel? Misschien bekijken we die nu wel met heel andere ogen....

Ansje van Beusekom




























<


Index Nieuwsarchief

©2003 Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid