Bij een afscheid
Dames en heren, beste vrienden,
Toen ik op 13 mei 1993 door Pim Slot in het GBG-bestuur werd
gemanoeuvreerd, was mijn opdracht de aandacht voor en het gebruik
van audiovisuele media in het voortgezet onderwijs binnen de vereniging
een prominenter plaats te geven. De inpassing van die AV-media
in het onderwijscurriculum kende toen nog een marginaal bestaan:
een enkele docent gebruikte geluid (in de vorm van muziek of oral
history) en soms werd in klassikaal verband wel eens een film
gedraaid, maar voor de historische betekenis van beeldmateriaal
was het onderwijs aangewezen op de producten van de Nederlandse
Onderwijs Televisie (NOT). Mijn probleem met die NOT-producten
is altijd geweest dat ze een poging deden mij als docent te vervangen
in plaats van een aanvulling te vormen op mijn lespraktijk. Ik
had, met nog een andere verdwaalde enkeling, vooral behoefte aan
een databank met zo oorspronkelijk mogelijke AV-bronnen over historische
gebeurtenissen waarin zo weinig mogelijk duiding werd gegeven
door een vertellende voice-over. Ik wilde juist mijn leerlingen
zelf op zoek laten gaan naar betekenissen van de beelden die door
die media werden en worden opgeroepen.
Bij een afscheid past toch wel een evaluatie van waarin een bestuurslidmaatschap
al of niet geslaagd mag heten. In dat opzicht kunnen we hier en
nu vaststellen dat het mijne nauwelijks van enige waarde kan worden
genoemd. Pas in 1995 kwam er dankzij mijn inspanningen een werkgroep
AV-media in het onderwijs van de grond (indertijd WAVMO geheten)
die binnen een jaar tijd vier maal vergaderde en ten slotte een
stille dood stierf zonder dat ook maar enig resultaat bereikt
werd. Dat lag allesbehalve aan de samenstelling van die werkgroep,
want iedereen die op dat vlak iets te betekenen had was erin vertegenwoordigd,
van gewone docenten en strategische hoogleraren tot en met de
NOT zelf en de onderwijsinspectie toe. Er moest echter door iedereen
werk verzet worden en daarvoor ontbrak het al die drukbezette
vergaderaars helaas de tijd. Veel meer dan een verkenning van
de mogelijkheden en wensen is het nooit geworden. Derhalve bleef
de aantrekkingskracht van GBG voor docenten in het voortgezet
onderwijs zeer gering.
Je vraagt je af waarom iemand het 9 jaar vol houdt lid te blijven
van een bestuur terwijl hij niet aan zijn opdracht voldoet. Dat
komt door Mirjam Prenger. Bij de Algemene Ledenvergadering in
juni 1994 waren zij en ik de enige achterblijvers in een zich
volledig vernieuwend bestuur. Pim Slot, die reeds lang bureausecretaris
van de vereniging was, ging die taak nu in het bestuur vervullen
en zo bleven de functie van voorzitter en penningmeester over.
Iedereen wilde Mirjam met haar lange bestuurservaring graag als
voorzitter en die wilde dat alleen doen als ik penningmeester
wilde worden. Het was als een mafia-aanbod dat je niet kunt weigeren,
want ook ik wilde Mirjam graag als voorzitter. Maar veel meer
dan van mijn eigen huishoudboekje begreep ik niet van financiën,
en zo wist niemand eigenlijk precies waaraan die begon.
Bij de afhandeling van het financiële jaar 1994 zie ik mij
nog een vakantie-achtig bezoek aan Zutphen afleggen teneinde mijn
voorganger Marijn van den Born te vragen behulpzaam te zijn bij
het opstellen van de jaarcijfers. Hij toverde wat met mijn handgeschreven
cijfers in een spreadsheet en aan het eind van de middag hadden
we een klinkklare afrekening waarvan ik de inhoud zelf niet begreep.
Dat bleek pijnlijk toen mijn geliefde kascommissie me op een aantal
oneffenheden wees die ik niet kon verklaren en evenmin kon herstellen.
Dankzij de geweldige steun van Anja van Oostrom, die trouwens
die functie nog steeds uitoefent, hebben we in een lang weekend
een nieuwe opstelling gemaakt die de basis is geworden voor mijn
begrip van jaarrekeningen en de solide financiële ondergrond
van de vereniging. Er is in de loop der jaren nog heel wat gepoetst
moeten worden om veelsoortige vervuilingen uit de balans te krijgen
maar sinds drie jaar is die balans helder en 'gesloten', zoals
men in vakkringen zegt.
Het grootste probleem van deze penningmeester is komen te liggen
bij het betalingsregime van de leden en de constante overschrijding
van de budgetten voor het toenmalige verenigingsorgaan GBG-Nieuws
en de vele dure conferenties. Afgezien daarvan bleek de vereniging
een soort duiventil waar iedereen naar believen invloog, wat graankorrels
meepikte en vervolgens met de noorderzon verdween. Op die manier
gaat een vereniging kapot en daarvoor was me haar doelstelling
te lief. Er werden dus huishoudelijke reglementen aangepast voor
wanneer leden betaald moesten hebben, en voor het beleid bij voortdurend
uitblijven van contributie; verder kreeg de GBG-Nieuwsredactie
en de congresorganisatie een eigen girorekening met een eigen
jaarbudget waarvoor de respectievelijk zaken geleverd moesten
worden.
Een ander punt was het ledenbestand - die duiventil. Op enig moment
eind jaren tachtig, dus vlak na de oprichting van GBG, stonden
meer dan 400 leden ingeschreven. Wie nu nog wel of al niet meer
lid was, was volkomen onduidelijk en de betalingsverzoeken aan
spookleden werden dan ook nooit betaald. Pim Slot, die die database
ervoor beheerde, heeft er alles aan gedaan het ledenbestand zo
helder mogelijk te krijgen en dat zal er de reden van zijn geweest
dat ik de beschikking erover pas kreeg in 1997. Het maakt tegelijk
duidelijk waarom ik nog even aan mijn nieuwe database voor de
vereniging doorwerk, terwijl mijn termijn in het bestuur nu toch
echt afloopt.
Laat me vooropstellen dat de acht jaar die mijn penningmeesterschap
geduurd heeft me ongelooflijk veel (voornamelijk nachtelijke)
uren heeft gekost. Het heeft hem niet zozeer gezeten in de 65
bestuursvergaderingen (exclusief ALV's) die in mijn agenda staan
en waar ik geen enkele keer verstek heb laten gaan. Het ging 'm
vooral om die honderden telefoongesprekken, sinds begin vorig
jaar ook nog eens om (letterlijk) duizenden e-mails en dan vooral
die, waarin je opnieuw je vraag moest stellen omdat mensen slordig
zijn en geen antwoord op vragen geven. Laat me daarnaast ook de
acht conferenties niet vergeten die ik al of niet in samenwerking
met anderen heb georganiseerd. De hoeveelheid tijd die daarmee
gemoeid is geweest, laat zich niet meer achterhalen, maar wie
niet tegen stress bestand is, kan er beter niet aan beginnen.
Met Chris Vos heb ik eens een conferentie georganiseerd waarbij
we twee weken voor aanvang vijf van de zeven sprekers kwijt waren.
Het is uiteindelijk allemaal goedgekomen en de deelnemers aan
de conferentie zullen er weinig van gemerkt hebben. Maar voor
onze nachtrust was het bepaald minder goed.
Waarom hou je dat dan negen jaar vol? Allereerst ben ik ongelooflijk
loyaal ingesteld; ik wil ten koste van bijna alles gedane afspraken
nakomen - je moet immers op elkaar kunnen rekenen. Maar veel belangrijker
is dat GBG zo'n ontzettend leuk gezelschap is. Laten we wel wezen:
het gros van de leden betaalt op tijd, geeft antwoord als er vragen
worden gesteld en er is een enorme waardering voor het werk dat
je wilt doen. Het bestuur heb ik in mijn twee uitgerekte termijnen
enkele keren volledig van samenstelling zien veranderen en steeds
opnieuw groeide er weer een samenhang waaruit soms hele mooie
initiatieven zijn voortgekomen. En ik heb 65 keer na al die vergaderingen
erg gezellig in menig restaurant gegeten (voor wie dat nog niet
weet: we betaalden altijd zelf hoor!). En alle acht de conferenties
waren ieder op zichzelf eclatante successen, zelfs die over het
hoorspel, waar slechts 12 betalende bezoekers kwamen opdraven
zodat het aantal sprekers + panel in de meerderheid was.
Ten slotte moet ik opmerken dat het netwerk, dat GBG ook is (en
heeft!), voor mij van gigantisch belang voor mijn carrière
na mijn onderwijsbaan is geweest. Het vele contact met de leden,
dat meestal begon met achterblijvende contributie of te laat opzeggen,
liep vaak uit op hoogst interessante gesprekken als ik tot de
ontdekking kwam dat mijn gewone werk opmerkelijke raakvlakken
vertoonde met dat van de ander. Er zijn heel wat leden teruggekomen
op een aanvankelijke opzegging nadat er persoonlijk contact met
ze was geweest en ik durf zonder schaamte te zeggen dat ik daarvoor
nooit enige overredingskracht heb hoeven te gebruiken.
Dat laatste bewijst misschien als niets anders hoe belangrijk
het contact is tussen bestuurders en leden. Ik was er altijd van
overtuigd dat er een orgaan moest zijn dat dat contact levendig
houdt, vooral nadat GBG-Nieuws in 1997 opging in het veel formelere
en afstandelijker Tijdschrift voor Mediageschiedenis. Die overgang
was mijn grote wens, laat daar geen misverstand over bestaan,
maar we realiseerden ons pas later dat de laagdrempeligheid van
GBG-Nieuws met het beëindigen van dat podium tegelijk uit
de vereniging was verdwenen. Onze inspanningen om daarnaast een
volwaardige Nieuwsbrief te verzorgen zijn te lang te amateuristisch
uitgevoerd. Met de opkomst van het internet zag ik van stonde
af aan een belangrijk communicatiemiddel van de vereniging naar
de leden, maar het ontbrak me aan de kennis en de tijd om ook
die kar te trekken. Vooral de komst van Bregtje Lameris in het
bestuur zorgde er binnen een jaar voor dat er een prachtige website
is gebouwd én dat de aanpak van de Nieuwsbrief professioneler
is geworden. Ook de andere nieuwe jonge honden in het bestuur
leggen een grote interesse aan de dag voor wie al die oudere dames
en heren nu precies zijn en wat ze in de vereniging doen. En met
Tity de Vries heeft het bestuur een strenge nieuwe penningmeester
gekregen (aardige bestaan niet) terwijl Eddy Appels een grote
ervaring heeft als congrescoördinator. Het heeft mij het
gevoel gegeven dat ik het bestuur veilig kan verlaten.
Ik hoop te hebben duidelijk gemaakt waarop ik trots ben en waarin
ik gefaald heb. In de 16-jarige bestaansgeschiedenis van de vereniging
heeft het bestuur een erfenis opgebouwd waarin weliswaar al veel
bereikt is, maar waar evenveel nog altijd gedaan moet worden en
nieuwe paradigma's zich intussen hebben aangediend. Zo blijft
het ledental een constant zorgenkind want de club vergrijst en
de aanwas blijkt instabiel. De aanmeldingen via onze website zouden
daarin een positieve breuk kunnen betekenen, maar voor die conclusie
is het nog net iets te vroeg.
Een tweede zorgenkind is de taakbelasting van de bestuursleden:
te weinig mensen moeten teveel doen. Hopelijk is met de uitgekiende
functieverdeling nu een basis gelegd voor een betere spreiding
van het vele werk dat steeds verricht moet worden; een voorzitter
van voldoende statuur blijft een absolute noodzaak. Daarnaast
draagt de instelling van de Commissie van Inspiratie en Advies
(CIA) mogelijk bij aan goede plannenmakerij rondom conferenties
en allerlei richtingsperikelen. De werking van dat laatste orgaan
moet nog wel een beetje meer geformaliseerd worden, maar als denktank
en als klankbord voor het bestuur heeft hij al enkele malen zijn
nut bewezen.
Een derde zorgenkind is de geïsoleerdheid van GBG en de naamsonbekendheid
van de vereniging. GBG is geen speler in het veld van besluitvorming
en het is ook de vraag of het dat zou moeten willen zijn. Er zal
toch continu aandacht voor moeten blijven dat GBG in de organisatie
van conferenties, die in samenwerking met anderen wordt gedaan,
niet naar de achtergrond wordt geschoven terwijl al het voorbereidend
werk door de vereniging is gedaan. En de recente naamsverandering
van het Nederlands Audiovisueel Archief in de richting van onze
naam acht ik een omineuze aangelegenheid van zelfs haast complotachtige
aard. Profilering van naam en betekenis van GBG moet bij voortduring
op de agenda van het bestuur blijven staan en het is andermaal
een bede voor een voorzitter met een naam van formaat. Voorts
zou het contact met zusterverenigingen meer inhoud moeten krijgen.
Nog te vaak wordt in andere clubs het wiel op het audiovisuele
vlak opnieuw uitgevonden. Er zou meer afstemming moeten zijn tussen
wat anderen en wijzelf doen en voorbereiden. Zo vind ik het een
zwakte van GBG én van de andere verenigingen dat wij niet
betrokken zijn geweest bij de organisatie van de Geschiedenisdagen,
zoals die inmiddels reeds twee jaar door voornamelijk het KNHG
en het Historisch Platform op poten zijn gezet. Daarnaast valt
er nog een hoop te bewerkstelligen bij de DIVA (documentairemakers),
de VGI (digitalisering), het Nederlands Centrum voor Volkscultuur
(populaire cultuur) en nog zo'n handvol allemaal buitengewoon
interessante ontwikkelinstellingen. Hoewel ik met al die gremia
wel contacten heb, is het me nog niet gelukt er met en voor GBG
meer structuur in aan te brengen.
Een vierde zorgenkind blijft de levensvatbaarheid van TMG en de
wijze waarop het geredigeerd en uitgegeven wordt. Wat dat betreft
wordt bij de andere partijen, die verantwoordelijk zijn voor de
uitgave van het tijdschrift, te weinig gerealiseerd van welk belang
het aandeel van GBG is. Zonder het vaste abonnee-aantal van onze
leden zou er voor TMG geen enkele toekomst zijn. Het vereist een
scherp oog van het bestuur om de ontwikkelingen in de Stichting
Mediageschiedenis kritisch te kunnen volgen en duidelijk te maken
dat onze deelname eraan geen automatisme maar een factor van onderhandeling
is. Over het nut en de wetenschappelijke waarde van het tijdschrift
hoeft men zich geen zorgen meer te maken: de bijdragen in de voorbije
jaargangen waren vrijwel zonder uitzondering een bron van inspiratie
voor nieuwe studies en onderzoeken.
Een laatste zorgenkind betreft toch nog steeds de positie van
AV-media in het voortgezet onderwijs, de taak waarvoor ik ooit
was binnengehaald en waarin ik zo jammerlijk gefaald heb. De contacten
met tenminste twee andere organisaties in dat veld zijn al evenmin
tot wasdom gekomen: de Vereniging van Geschiedenisleraren (VGN)
en het Nederlands Instituut voor Filmeducatie (NIF). Dat docenten
nog steeds schreeuwende behoefte hebben aan panklare lesopzetten
voor het gebruik van (bewegend) beeld- en geluidsmateriaal, bewijst
dat op dat gebied nog steeds een hoop werk verzet zou kunnen en
moeten worden. GBG zal nooit in die behoefte kunnen voorzien maar
zou zich wel een blijvend pleitbezorger moeten voelen voor de
onuitputtelijke mogelijkheden van het in Nederland aanwezige archiefmateriaal.
Ik heb het bestuur beloofd er nog één keer een poging
aan te wagen en ben bezig met de voorbereiding van een conferentie
over dat onderwerp in het najaar van 2003. Met de uitkomsten van
die conferentie zal het GBG-bestuur in de toekomst haar voordeel
moeten doen.
Ik bewaar de beste herinneringen aan mijn lange bestuurslidmaatschap
aan de vele zeer prettige contacten en zelfs enkele vriendschappen
die eruit voortgekomen zijn. Als ik slecht de slaap kan vatten,
droom ik nog wel eens terug aan de eerste conferentie waaraan
ik durfde meeorganiseren en vooral aan mijn optreden daar als
de wedergeboorte van de eerste filmoperateur in Nederland, Camille
Cerf. Het was de ultieme realisering van de combinatie van spel,
verbeelding en ernst: er is geen conferentie geweest waar sprekers
zo weinig over hun spreektijd durfden heen te gaan als bij 'Honderd
jaar film in Nederland'. Ik slaap er voortreffelijk op!
Ik tracht mijn aanstaande post-GBG-syndroom te verwerken met
de afbouw van de ledendatabase en de organisatie van nog twee
conferenties, aanstaande herfst, en die onderwijsconferentie mogelijk
in 2003. Voorlopig zijn jullie nog niet van me af. Maar jullie
zijn me ook teveel aan het hart gebakken. Het ga jullie goed!
We zien mekaar vast wel weer.
Amsterdam, 16 (19) juni 2002
Edward Schenk
|