In memoriam: Geoffrey Donaldson (Newcastle,
Australië 1929 - Rotterdam 2002)
Op de beroemde conferentie van Brighton, het 34e FIAF-congres, dat
in mei - juni 1978 in Engeland werd gehouden (en waar de New Film
History zo'n beetje werd uitgevonden, als we de verhalen mogen geloven)
liep ook een Australische Nederlander rond, Geoffrey Donaldson genaamd.
In zijn filmografische nijver verspreidde hij er een voorlopige
filmtitellijst van Theo Frenkel senior, een Nederlandse filmpionier.
Frenkel gebruikte in het buitenland de familienaam van zijn beroemde
oom, de acteur Louis Bouwmeester. Hij regisseerde jarenlang films
in Engeland, Frankrijk en Duitsland, voordat hij zijn eerste Nederlandse
film realiseerde. Met zijn actie in Brighton hoopte Donaldson meer
informatie te vinden over deze internationale cineast. Donaldsons
filmografie werd nadien gepubliceerd in Cinema 1900/1906. An analytical
study (1982) en een jaar later in het Nederlandse filmtijdschrift
Skrien. In 1985 besteedde Donaldson een lemma aan dezelfde Frenkel
in het Biografisch Woordenboek van Nederland. Nadien hebben ook
anderen over deze Bouwmeester-telg geschreven, maar Donaldson gaf
de eerste stoot.
Terwijl massa's Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog naar Australië
en Nieuw-Zeeland emigreerden, kwam de Australiër Donaldson
in 1955 naar Europa, waar hij als een moderne Tuschinski in Rotterdam
bleef hangen. Na diverse baantjes werd hij vanwege zijn enorme
talenkennis vertaler en correspondent voor Unilever. Al jarenlang
cinefiel en gaandeweg ook filmjournalist, werd hij door vragen
van buitenlandse collega's gewezen op het gebrek aan kennis en
onderzoek over de Nederlandse zwijgende speelfilm. Er lag toen
voor hem een enorm veld open, want serieuze filmhistorici kende
Nederland nog nauwelijks. Filmgeschiedenis beperkte zich, wat
speelfilmproductie betreft, tot anekdotiek, nostalgie en een niet
al te nauwkeurig en nogal denigrerend beeld van het eigen verleden.
Een doorn in het oog van Donaldson, die juist meticuleus de vak-
en dagbladpers doorploegde - een klus die voordien niemand systematisch
op zich had genomen. Behalve in Britse bladen als Films and Filming
en The Silent Picture publiceerde Donaldson vooral in Skrien over
de Nederlandse zwijgende speelfilm.
In Skrien, anno 1970 nog een links-radicaal en sterk politiek
getint blad , verraste Donaldson met een empirisch-historische
benadering in zijn artikel "De Nederlandse zwijgende films
en de Nederlandse 'filmhistorici'". Hij uitte daarin zijn
ongenoegen over het bestaande gebrek aan nauwgezet filmhistorisch
onderzoek. Met zijn Skrien-artikel "De eerste Nederlandse
speelfilms en de gebroeders Mullens" (1972) waste hij de
bestaande filmkritiek (dat wil zeggen, de oude garde van Simon
van Collem, Bob Bertina en Charles Boost) opnieuw de oren door
terug te grijpen naar primaire bronnen. Op die manier wist hij
de film Mésaventure van een Fransch heertje zonder pantalon
te Zandvoort te dateren en tegelijkertijd te situeren als zeker
niet de eerste Nederlandse speelfilm, zoals voordien jarenlang
was geopperd. Hij toonde daarmee impliciet aan dat de kritiek
tot dan toe elkaar lukraak kopieerde, zonder oorspronkelijke bronnen
te controleren en zonder veel historisch besef. Wat hij daarbij
niet vermeldde was dat degenen die tot dan toe over de Nederlandse
filmgeschiedenis schreven, vooral journalisten waren en geen historici.
Zij hielden er een andere houding op na, waarbij de (gekleurde)
herinnering, het spannende verhaal of de grap belangrijker was
dan een juiste vermelding van jaartallen, titels of namen.
Donaldson werd daarmee eigenlijk de nestor van de Nederlandse
filmgeschiedenis en symbool voor de opkomst van het filmhistorisch
onderzoek in Nederland, dat vanaf de jaren zeventig plaatsvond
en zich na Donaldson profileerde via de generatie Dibbets, Hogenkamp
en Brederoo en de daaropvolgende generatie, waartoe ik mijzelf
reken. Ik denk niet dat wij vandaag de dag nog steeds de 'methode
Donaldson' hanteren, maar wij zijn zeker wel schatplichtig aan
zijn baanbrekende werk.
Van 1982 tot en met 1988 publiceerde Donaldson in Skrien biografieën
en filmografieën van producenten, acteurs, regisseurs en
cameramannen van de Nederlandse zwijgende speelfilm. Dat deed
hij onder de titel "Wie is wie in de Nederlandse film tot
1930". Na het dolkomische Uit de oude doos van Simon van
Collem werd nu op serieuze wijze geschreven over Nederlandse filmpioniers
als Franz Anton Nöggerath Sr, de gebroeders Mullens, Johan
Gildemeijer en Theo Frenkel. Tot de serie behoorde ook een uitvoerig
artikel over de Hollandia-vedette Annie Bos, die Donaldson had
weten te interviewen toen dat nog mogelijk was. [Het interview
is helaas niet op band opgenomen.] Precies als Donaldson was,
sloot hij de serie af met een lijst correcties op de diverse lemmata
en een lexicon. Het is jammer dat de "Wie is wie"-serie
nooit gebundeld is uitgegeven, bijvoorbeeld door Skrien of GBG
- al zou zo'n publicatie wel voor een klein publiek van fijnproevers
zijn.
Donaldson was een trouw bezoeker van de Giornate del Cinema Muto
in Pordenone, Italië, niet alleen omdat dit het Mekka van
de zwijgende filmvertoning is, maar ook vanwege het internationale
netwerk van filmhistorici en archivarissen aan wie hij vragen
kon stellen voor zijn eigen onderzoek. Sommigen van hen werden
ook zijn vrienden. Het leidde er onder meer toe dat Donaldson
in 1990-91 een artikel over de Chileense acteur Adelqui Migliar
publiceerde in het Italiaanse filmhistorische tijdschrift Immagine.
Migliar, met zijn Latijnse trekken een soort proto-Valentino,
was in de Eerste Wereldoorlog een van de sterren van de Hollandia-studio's.
Geoffrey Donaldson had in 1955 de grote oversteek gemaakt, maar
was daarna behoorlijk honkvast geworden. De in Rotterdam woonachtige
filmhistoricus ontving liefst thuis, want reizen naar Pordenone
en later ook naar Sri Lanka wilde hij wel, maar aan de drukte
van de grote stad, met name die van Amsterdam, had hij een hekel.
Donaldson was ook uiterst kritisch, niet alleen als het om filmhistorische
details ging, maar ook wat betreft details in de menselijke omgang
. Berucht was het feit dat hij niet gebeld wilde worden door vreemden.
Wie contact met hem wilde, moest eerst maar eens op papier zetten
wat hij of zij precies wilde. En kreeg dan wel altijd antwoord,
of hij of zij nu beginnend student of professor was. Geoffrey
wilde altijd eerst zien dat wie hulp zocht ook al behoorlijk wat
onderzoek had verzet - lees: net als hijzelf. Daarna wilde hij
zijn kast met zijn honderden dossiermapjes wel openmaken om een
deel van zijn felbegeerde documentatie te laten zien. Maar dat
alleen als jij, de zoekende, eerst precies aangaf wat je zocht.
Met als gevolg dat je wel eens misgreep als je niet precies de
goede vragen stelde. Frustrerend soms, maar tegelijkertijd ook
een serieus spel: jij zorgde er de volgende keer wel voor dat
je beslagen ter ijs kwam.
Het contact met Geoffrey werd voor mezelf allengs minder zakelijk.
Naarmate ik vaker langskwam, en vooral, naarmate de correspondentie
intensiveerde, want Geoffrey moet een verwoed typist zijn geweest.
Op een oude typmachine tikte hij dagelijks talloze brieven aan
vrienden, kennissen en collega's, waarbij de filmhistorische weetjes
steeds meer werden vermengd met alledaagse faits divers naarmate
de band met de geadresseerde hechter werd. Naast een serieuze
gedrevenheid kwam daarbij zijn gevoel voor understatement naar
boven.
Onder de directie van Hoos Blotkamp werd Donaldson herhaaldelijk
door het Filmmuseum betrokken bij de identificatie van Nederlandse
zwijgende films en de vaststelling van een Nederlandse filmografie.
Die samenwerking leidde dan ook bij datzelfde Filmmuseum tot het
besef dat Geoffrey's jarenlang opgebouwde kennis absoluut in een
royale publicatie moest worden vastgelegd en naar buiten moest
worden gebracht. Met een voorwoord van Hoos Blotkamp, onder redactie
van ex-Skrien redacteur Céline Linssen en met een inleidend
artikel van voormalig Skrien- en Filmmuseum-medewerker Peter Delpeut,
werd Donaldsons Fundgrube vertaald in een uiterst gedetailleerd
en rijk geïllustreerd boek. De kroon op zijn werk, kun je
met recht stellen.
Bescheidenheid, kalmte en verlegenheid, daardoor liet Geoffrey
zich telkens weer kenmerken, of het nu ging om zijn omgang met
mensen - vandaar dat intensieve contact per post - of om de uitreiking
van prijzen, zoals het Gouden Kalf, overhandigd op de Nederlandse
Filmdagen van 1998, of eerder de Cinemagia-prijs van de Nederlandse
beroepsvereniging van Filmers (NBF), die Donaldson in 1981 kreeg.
Hij hoefde niet zo nodig in het middelpunt van de belangstelling
te staan. Hij was ook wars van filmtheorie, hield het liever bij
het Rankiaans sec verzamelen van de gegevens, juist omdat zijn
voorgangers daar zo weinig aandacht aan hadden besteed. Hij inspireerde
daar ook anderen mee, zozeer dat langzamerhand gegevens van anderen
op terreinen die aan zijn specialisme raakten ervoor zorgden dat
hij zijn eigen panorama moest bijstellen. Donaldson vermoedde
bijvoorbeeld in 1972 dat de geënsceneerde 'actualiteit' 'n
Herinnering aan wijlen Z.M. Willem III, een rijtoer makend door
het Vondelpark (1899) van Franz Anton Nöggerath Sr de oudste
speelfilm was en niet de Mesaventure. Donaldson was wel zo slim
om zijn artikel te beginnen met de opmerking: "Onder journalisten
bestaat een ongeschreven wet: Schrijf nooit dat iemand de eerste
is geweest, want altijd zal er al een lezer zijn die iets weet
te vertellen over een ander die hem voor was." Dat was ook
op hemzelf van toepassing, want in Donaldsons latere magnum opus
Of Joy and Sorrow (1997) gaan er drie filmpjes vooraf aan de Rijtoer.
De vroege jaren van de film zijn niet alleen slecht gedocumenteerd
door nalatigheid van filmcritici en een gebrek aan primair bronnenonderzoek,
de bronnen liggen tevens niet zo voor het oprapen als in latere
periodes. Je moet nogal eens een hink-stapsprong maken via allerlei
buitenissige bronnen, om aan je informatie te komen. Volgende
generaties onderzoekers kunnen weer met informatie komen waar
jij nog niet aan had gedacht. Archiefmateriaal, of het nu papier
of films betreft, kan beschikbaar worden waar het dat eerder nog
niet was. Samengevat: de Nederlandse filmografie zou voorlopig
nog wel eens een work in progress kunnen zijn. Dat neemt niet
weg dat met Of Joy and Sorrow een mijlpaal is bereikt, die het
Filmmuseum terecht heeft uitgegeven. Heel slim om daar zoveel
mogelijk foto's van verdwenen films in te stoppen, in de hoop
er zo nog een paar terug te vinden; foto's die trouwens voor een
flink deel uit Donaldsons verzameling komen. Terecht dat Donaldson
voor dit monnikenwerk een jaar na het uitkomen van het boek een
Gouden Kalf kreeg op de Nederlandse Filmdagen, uit handen van
toenmalig staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg. Een
respectabel boek dat inmiddels bij veel filmbibliotheken te vinden
is en door gerenommeerde boekhandels zelfs op het net wordt aangeboden.
Geoffrey Donaldson wordt met deze erfenis niet vergeten.
Ivo Blom
|