geschiedenis GBG

van IAMHIST-Nederland i.o. tot vereniging GBG

Door Pim Slot

Op éénendertig augustus negentienhonderdzevenentachtig, verschenen voor meester Juan Carlos Florencio Pons, notaris ter standplaats Amsterdam, de heren Frans Nieuwenhof en Marcel Linnemann. Beide heren - initiatiefnemers tot de oprichting van een Nederlandse afdeling van de International Association for Audiovisual Media in Historical Research and Education, alias IAMHIST - waren bij notaris Pons om de statuten van de vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid notarieel te laten vastleggen. Een half jaar eerder - op 26 november 1986 - waren zij door de constituerende vergadering van de vereniging GBG, bijeen in het Nederlands Filmmuseum te Amsterdam, gekozen tot voorzitter en secretaris. In de notariële akte staat de doelstelling van de vereniging in weliswaar krom, maar niettemin duidelijk Nederlands geformuleerd: 'De vereniging heeft tot doel het wekken van belangstelling voor en de studie van beeld en geluld als bron voor geschiedschrijving en als middel tot beeldvorming van het verleden'. De binnenkort te vieren tiende verjaardag van de vereniging GBG is een aardig moment om eens terug te kijken naar de schermutselingen voorafgaand aan de oprichting. [1]

Vanaf het begin van de jaren tachtig waren er al pogingen ondernomen om de belangstelling voor het gebruik van audiovisuele media in historisch onderwijs en onderzoek in Nederland te wekken en te kanaliseren. Hoogleraar Hans Blom was nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van EEN IDEAAL VOOR OGEN, de eerste audiovisuele doctoraalscriptie geschiedenis die in Nederland is gemaakt.[2] Blom had een vergeefse poging gedaan zijn enthousiasme om te zetten in een reguliere cursus 'Film en geschiedenis', op te nemen in het onderwijsprogramma van de vakgroep Nieuwe en Theoretische Geschiedenis van zijn universiteit.[3]

Strandde deze poging uiteindelijk op zijn eigen overvolle agenda, Bloms initiatief bracht een aantal zaken wel duidelijk aan het licht. Er bestond in die tijd - we praten inmiddels over 1985 - aan ten minste twee universiteiten de mogelijkheid om iets te doen met een eventuele belangstelling voor av-media en geschiedenis. Bij de vakgroep Massacommunicatie van de Universiteit van Amsterdam konden geschiedenisstudenten bij wijlen Jan Hes een bijvak 'Filmkunde' volgen, en aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam kon bij de opleiding Maatschappijgeschiedenis voor de afstudeervariant 'Communicatie en Voorlichting' worden gekozen. Voor Blom was met name deze laatste mogelijkheid interessant en hij sloot zelfs niet uit dat hij zijn eigen studenten in voorkomende gevallen zou adviseren over te stappen en de studie in Rotterdam voort te zetten. [4] Een tweede belangrijke gevolgtrekking was dat het belang van 'een constante factor' werd aangetoond. Er moest een instantie komen van waaruit niet alleen initiatieven konden worden genomen, maar van waaruit bestaande plannen konden worden gecoördineerd en - met name - gecontinueerd.

Dit probleem was een aantal andere actievelingen in het veld blijkbaar ook opgevallen. In de zomer van 1985 peilde Frans Nieuwenhof, docent Filmkunde aan de Universiteit van Amsterdam en aan de Filmacademie te Amsterdam, de mening van diverse personen werkzaam in de wereld van historisch onderzoek en onderwijs en in de archievensector, over de mogelijke oprichting van een Nederlandse afdeling van IAMHIST, de internationale vereniging van mediahistorici en historici met interesse in geschiedenis en audiovisuele media. Ook Nieuwenhof had in zijn werkkring een uiteenlopende belangstelling voor de relatie geschiedenis en audiovisuele media ontdekt, maar had daarbij tevens vastgesteld dat systematische kennis op dit gebied ontbrak. [5] Hij constateerde toen al de knelpunten en hiaten die door en vanuit de vereniging GBG in de tien jaren daarna in uiteenlopende bewoordingen en op diverse podia aan de orde zouden worden gesteld: 'Historisch onderzoek naar de audiovisuele media vindt op dit moment beperkt plaats. De meeste historici houden zich bij hun onderzoek bezig met de geschreven bronnen. Ook de resultaten van wetenschappelijk onderzoek verschijnen vrijwel altijd in geschreven vorm. Onder geschiedenisstudenten ontwikkelt zich evenwel een toenemende belangstelling voor de audiovisuele media. Terwijl de belangstelling toeneemt, worden veel archieven en audiovisuele centra getroffen door verdergaande bezuinigingen, waardoor de toegang tot en/of het gebruik van de audiovisuele bronnen in gevaar dreigt te komen'. [6]

Belangstelling peilen
Nieuwenhof klopte met zijn plan aan bij het Nederlands Filmmuseum in Amsterdam en bij het Nederlands Instituut voor Audiovisuele Media (NIAM) te Den Haag. Bij het Filmmuseum liep in die dagen de geschiedenisstudent Marcel Linnemann rond als stagiair. Linnemann nam op verzoek van Nieuwenhof interviews af met een aantal personen dat Nieuwenhof graag bij IAMHIST-Nederland wilde betrekken. Naast de al eerder genoemde hoogleraar Blom sprak hij met de Utrechtse historicus professor H.W. von der Dunk, met de Rotterdamse hoogleraar Jan Bank, met de ook al genoemde filmsocioloog Jan Hes, met Robert Egeter van Kuyk, hoofd van het RVD-filmarchief in Den Haag, met John Jansen, wetenschappelijk medewerker bij de Stichting Film en Wetenschap in Utrecht, met Midden-Oosten-deskundige Leo Biegel (UvA), en tenslotte met Gerard Giezeman, docent geschiedenis bij de Nieuwe Lerarenopleiding Zuidwest Nederland in Delft. De ideeën van genoemde personen vormden een mooie staalkaart van de verschillende manieren waarop tegen het belang van audiovisuele media in historisch onderzoek en onderwijs werd - en nog steeds wordt - aangekeken. Blom en Hes hadden speciale interesse in de audiovisuele media als bron voor historisch onderzoek, Von der Dunk en Bank interesseerden zich vooral voor het probleem hoe historische kennis op een verantwoorde wijze via de media aan een groter publiek kan worden overgebracht, Giezemans belangstelling ging met name uit naar de mogelijkheden om audiovisueel materiaal in het middelbaar geschiedenisonderwijs in te zetten en Egeter van Kuyk en Jansen bleken vooral te kijken - hoe verrassend - naar de problemen op het terrein van de archivering en ontsluiting van de audiovisuele collecties in Nederland. Overigens was iedereen overtuigd van het mogelijke nut van een Nederlandse afdeling van IAMHIST, en was men allerwege bereid mee te denken en - in sommige gevallen - zelfs mee te werken aan mogelijke concrete initiatieven. [7] Toezeggingen op het financiële of personele vlak werden niet gedaan. Het zou vervolgens nog anderhalf jaar duren vooraleer IAMHIST-Nederland kon worden opgericht. De initiatiefnemers - naast Nieuwenhof en Linnemann waren Frans Maks, directeur a.i. van het Filmmuseum, en Noël Verhaal, verbonden aan het Nederlands Instituut voor Audiovisuele Media (NIAM) in Den Haag nauw betrokken - maakten kennis met de soms ondoorgrondelijke structuur van IAMHIST en haar overdaad aan 'vicepresidents'. 'IAMHIST? Only Chiefs, no Indians', zoals de huidige IAMHIST-penningmeester Dan Leab het ooit eens treffend verwoordde. Het lijkt erop dat de in IAMHIST-kringen gebruikelijke formele en ambtelijke benadering ten aanzien van de procedures en de bestuurlijke invulling door de 'Dutch branch' een beetje werden overgenomen. Deze constatering bracht Jan Bank tot een welgemeend advies aan de heren om bij het zoeken van mogelijke bestuursleden toch vooral te denken aan mensen 'met enige pioniersgeest' en 'tijd om een en ander te verwezenlijken'. 'Een bestuur van gevestigde namen levert het risico op van respect naar buiten en ledigheid naar binnen'. [8] Daarnaast bleek het vinden van de zo broodnodige sponsors heel wat voeten in de aarde te hebben. Dit probleem werd des te nijpender omdat de initiatiefnemers niet om grote plannen verlegen bleken te zitten. Illustratief zijn de projecten die in dit stadium werden voorgesteld. IAMHIST-Nederland diende bijvoorbeeld een grootschalige inventarisatie van audiovisueel materiaal te starten, waarbij het Algemeen Rijksarchief, de Rijksvoorlichtingsdienst en het Filmmuseum betrokken moesten worden. Het NIAM - optredend als tussenpersoon - kon dan als producent gebruik maken van het gevonden en geïnventariseerde bronnenmateriaal om dit vervolgens als distributeur op de markt te brengen. [9] Maks deed dit voorstel nadat NIAM-vertegenwoordiger Noël Verhaal tijdens dezelfde vergadering onder het agendapunt 'mededelingen' had verklaard dat het NIAM 'wegens een reorganisatie' nog maar in een zeer beperkte mate kon blijven deelnemen aan het opzetten van IAMHIST-Nederland.

'Het NIAM wil de ontwikkelingen van IAMHIST blijven volgen. (...) Zij is distributeur (+ producent) van av-lesmateriaal en op dit punt verwacht zij iets van IAMHIST-Nederland. Toekomstige projecten zal het NIAM zwaar wegen op hun zakelijke (commerciële) merites. De vraag zal steeds zijn: is er een markt voor en zijn er inkomsten te verkrijgen. [10] Het aandachtspunt 'produktie en distributie van lesmateriaal' bleek een zorgenkindje, en zij zou dat tot op de dag van vandaag blijven.

Wetenschap of markt
Voor Nieuwenhof was het echter duidelijk: IAMHIST-Nederland i.o. moest voor 'een markt' werken, niet alleen voor de wetenschappelijke wereld. Dat men zich wel degelijk realiseerde dat ook voor IAMHIST-Nederland de stelregel 'de kost gaat voor de baat uit' van toepassing was, bleek in de loop van het najaar van 1985. De kosten die waren gemoeid met de beoogde inventarisatie - waarop overigens sterk werd aangedrongen door betrokkenen uit het academische veld - werden intern begroot Op een slordige f 45.000,-. [11] Een tweede ambitie bleek te bestaan uit de wens om al in 1987 de tweejaarlijkse internationale IAMHIST-conferentie naar Nederland te halen. De kosten die zouden zijn gemoeid met een dergelijke klus werden begroot op om en nabij de 170.000,-, exclusief het drukken van de papers. Spoedig zou blijken dat het binnenhalen van de benodigde gelden nog niet zo eenvoudig was. Het bij elkaar sprokkelen van een bedrag waarmee de vereniging überhaupt kon worden opgericht was al lastig genoeg. Op een volgende vergadering - op 19 november 1985 - bleek dat de initiatiefnemers het onmogelijke van hun wensen inzagen. 'In verband met het verkrijgen van de benodigde fondsen' werd het besluit genomen om de oprichting van IAMHIST-Nederland in ieder geval uit te stellen tot februari/maart 1986. [12] Belangstellenden werd gevraagd een tientje over te maken in ruil waarvoor zij op de hoogte gehouden zouden worden van de verdere ontwikkelingen. Tevens ontvingen zij bij die gelegenheid een eerste 'nieuwsbrief'. De ambitieuze plannen - inventarisatie van alle producenten, produkten en bronnen, inventarisatie van de behoefte aan av-materiaal in Nederland, een onderzoek naar archiverings- en beschrijvingsstrategieën en het organiseren van de internationale IAMHIST-conferentie in 1987 - werden nog niet losgelaten. Maar het inzicht dat deze ambities slechts konden worden gerealiseerd door een levensvatbare vereniging met concrete doelstellingen had terrein gewonnen. In de Nieuwsbrief IAMHIST-Nederland, nummer 1, van december 1985, stonden deze doelstellingen vermeld:
'IAMHIST-Nederland is een zelfstandige organisatie voor het Nederlandse taalgebied, gericht op samenwerking tussen organisaties, instanties en personen die actief zijn op het terrein van geschiedenis/sociale wetenschappen en audiovisuele media. De samenwerking heeft o.m. tot doel het stimuleren van onderzoek en onderwijs, het toegankelijk maken van archieven, het stimuleren, adviseren en produceren van audiovisueel materiaal op de terreinen van geschiedenis en sociale wetenschappen en (ten slotte) het bevorderen van internationale contacten en het doorgeven van knowhow bij research, produktie en gebruik van audiovisueel materiaal op de terreinen van geschiedenis en sociale wetenschappen.'

Met deze duidelijke omschrijving kon men in de loop van 1986 verder. Er werd een Comité van Aanbeveling samengesteld waarin naast de hoogleraren Bank en Blom de Groningse hoogleraar kunstgeschiedenis Henk van Os - de latere directeur van het Rijksmuseum - en prof.dr. Frits de Jong Edz., hoogleraar nieuwste geschiedenis bij de Politiek-Sociale Faculteit van de UvA, zitting hadden. Ook Dr. R.L. Schuursma, voormalig directeur van de Stichting Film en Wetenschap, trad toe tot het Comité. Gewapend met deze namen slaagde men erin bij het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen een startsubsidie van f 10.000,- los te krijgen.

Minder gemakkelijk was dit ministerie ertoe over te halen serieus in te gaan op het verzoek om bij te dragen in de realisering van bijzondere projecten. Waarschijnlijk is men daar wat geschrokken van de mededeling dat de personele kosten die zouden zijn gemoeid met de al eerder genoemde inventarisatie van alle audiovisuele bronnen en leermiddelen op het terrein van de geschiedenis en de sociale wetenschappen inmiddels werden geraamd op f 135.000,-. [13] In plaats van een 'blanco' cheque stuurde Zoetermeer een oekaze waarin strikte voorwaarden werden gesteld aan de honorering van het subsidieverzoek. Reisjes in het buitenland mochten er niet mee worden betaald, en de vereniging i.o. werd verplicht contact op te nemen met de Stichting Film en Wetenschap in Utrecht teneinde tot duidelijke afspraken inzake taakafbakening te komen. SFW ontving van het ministerie immers al een structurele subsidie ten behoeve van audiovisuele archieven en tweemaal betalen voor hetzelfde wilde men uiteraard niet. [14] Hoewel deze laatste eis met name Nieuwenhof wat rauw op zijn dak viel - hij sprak over 'het diktaat van O&W - zou zij voor de latere geschiedenis van de vereniging verstrekkende gevolgen hebben. [15] Om de ontwikkelingen in een volgende versnelling te krijgen zou het verkrijgen van een permanent secretariaat van evident belang blijken te zijn. Met de komst van Piet van Wijk als nieuw hoofd van het Audiovisueel Archief van de Stichting Film en Wetenschap was er binnen dit AVA meer structuur gekomen in de activiteiten richting wetenschappelijk onderzoek en hoger onderwijs. Het is dan ook niet vreemd dat Van Wijk toetrad tot het Comité van Voorbereiding en later tot het eerste bestuur. En het zal ook niemand verbazen dat Stichting Film en Wetenschap de constante factor werd zonder welke de vereniging IAMHIST-Nederland i.o. niet levensvatbaar zou blijken.

De oprichting
Tijdens twee voorbereidingsvergaderingen - op 6 en 17 oktober 1986 - werd de oprichting uiteindelijk definitief vastgesteld op 26 november 1986. Er waren allerlei juridische zaken uitgezocht, er was een lijst van bestuurskandidaten samengesteld, er was een programma voor de oprichtingsvergadering waarvoor IAMHIST Secretary General David Ellwood zou overkomen uit Bologna - er waren de nodige persberichten verspreid, er lag een voorstel inzake de hoogte van de jaarlijkse contributie (voor instellingen f 150,- en voor studenten ƒ 25,-), en er lag de intentie om het verenigingssecretariaat om de twee jaar te laten rouleren. Vijfenvijftig personen hadden inmiddels f 10,- overgemaakt voor het voorlopig lidmaatschap - waarvan een aantal op 23 november 1996 hun tienjarig lidmaatschap kan vieren. IAMHIST-president Wilhelm van Kampen had uit Berlijn een felicitatietelegram gestuurd. Op 26 november 1986 werd IAMHIST-Nederland eindelijk opgericht. Op de eerste bestuursvergadering op 17 december 1986 kwam vanuit het bestuur het voorstel de nietszeggende naam IAMHIST-Nederland te veranderen in Vereniging Geschiedenis, Beeld en Geluid. Dit voorstel werd door de eerste Algemene Ledenvergadering op 13 juni 1987 overgenomen. Met de totstandkoming van de vereniging GBG kon een begin worden gemaakt met de door Hans Blom zo gewenste opheffing van de bestaande chaos en het verbeteren van de communicatie tussen de dolende zielen die - verspreid over Nederland en België - hun eenzame strijd voerden ter verheffing van het audiovisuele document. Stichting Film en Wetenschap bleek al snel de constante factor die de vereniging nodig had. Van daaruit werd de Gids voor historisch beeld en geluidsmateriaal in Nederland samengesteld, het verenigingssecretariaat vond er vanaf 1988 zijn vaste - en dus niet roulerende - plaats, en het onvolprezen blad dat u nu leest werd er maar liefst 35 maal geproduceerd. [16]

Met de publikatie van De Gids, het bij tijd en wijle opereren van werkgroepen, de regelmatige verschijning van een in de loop der jaren steeds professioneler ogend verenigingsperiodiek, de organisatie van inmiddels twintig wetenschappelijke conferenties en studiedagen, het bemenst houden van een efficiënt opererend bestuur en - last but not least - de weliswaar traag verlopende maar niettemin gestaag voortschrijdende inbedding van de aandacht voor audiovisuele media in onderzoek en onderwijs - bleek de vereniging GBG tot een zeer levensvatbare organisatie uit te groeien. Ook al kan nu worden vastgesteld dat enkele plannen uit de begintijd te ambitieus bleken - een Gids waar alles instaat moet nog steeds worden geschreven, een werkbaar systeem voor het beschikbaar krijgen van goed audiovisueel materiaal voor het voortgezet onderwijs staat nog immer in de steigers - de vereniging GBG zou zonder de eerste 'Chiefs' Frans Nieuwenhof, Marcel Linnemann en Frans Maks nooit werkelijkheid zijn geworden. Gelukkig bleken er daarnaast vanaf het begin genoeg 'lndians' rond te lopen om de fakkel over te nemen en de vereniging tot een bloeiend geheel te maken. Hen allen past onze dank.

(GBG-Nieuws 38, 1996)

Noten
1. De gegevens die als bron voor dit artikel hebben gefungeerd zijn vrijwel alle afkomstig uit het archief van de vereniging GBG. Dat ongeordende archief wordt beheerd in het verenigingssecretariaat, ondergebracht bij Stichting Film en Wetenschap in Amsterdam.
2. Een ideaal voor de ogen. De kwestie Indonesië in het bioscoopjournaal. Een programma van Gerda Jansen Hendriks, Frank Klein en Peter Otten. Amsterdam: Historisch Seminarium - UVA, 1983. [met schriftelijke verantwoording]. De film kon worden gerealiseerd mede dankzij een subsidie van de KRO, die hem tevens uitzond.
3. Brief van Prof. Dr. J.C.H. Blom, d.d. april 1985 aan 'allen die blijk gaven van hun belangstelling inzake een eventuele cursus Film en Geschiedenis bij de studierichting Geschiedenis [van de Universiteit van Amsterdam]'.
4. Idem. Blom spreekt over een vigerende 'taakverdelingsfilosofie' waarin hij zich wel kon vinden wanneer het ging om de vraag waar geschiedenisstudenten het beste naar toe konden voor een specialisatie geschiedenis en av-media.
5. Begeleidende brief d.d. 3 oktober 1985 bij vragenlijst aan diverse betrokken personen ter voorbereiding op de oprichtingsvergadering van IAMHIST-Nederland.
6. Idem.
7. Outline van de interviews gehouden door M. Linnemann.
8. Brief van Jan Bank aan M. Linnemann, d.d. 10 oktober 1985.
9. Voorstel van F. Maks. In: verslag van de bijeenkomst in verband met de oprichting van een Nederlandse afdeling van IAMHIST gehouden in het Filmmuseum te Amsterdam op 18 september 1985.
10. N. Verhaal, in: verslag bijeenkomst in het Filmmuseum, 18 september 1985
11. Interne notitie d.d. 28 september 1985, auteur onbekend.
12.Verslag van bijeenkomst in het N FM, d.d. 2 december 1985.
13. Brief van F. Nieuwenhof aan de directie Beleidsvorming, Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, d.d. 16 mei 1986.
14. Brief van Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen aan het bestuurvan IAMHIST-Nederland, d.d. 24 oktober 1986.
15. Brief van F. Nieuwenhof aan Commissie van Voorbereiding oprichting IAMHIST-Nederland, d.d. 21 november 1986.
16. In de nummering van GBG-Nieuws is vanaf het begin een fout geslopen. Voordat GBG-Nieuws voor het eerst in haar huidige vorm verscheen (nummer 4) waren er inmiddels 3 afleveringen van de Nieuwsbrief IAMHIST-Nederland verschenen (in december 1985, op 10 november 1986 en in juni 1987), alsmede een nummer van GBG-Nieuws (op A4-formaat), dat verscheen in november 1987 en dat abusievelijk GBG-Nieuws 3 werd genoemd.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *